Vaak wordt er bij urineverlies vooral aan vrouwen gedacht. Echter, ook veel mannen hebben er last van. Het ontstaat vaak op wat latere leeftijd of ten gevolge van een operatie.

Er zijn verschillende vormen van mannelijk urineverlies:

  • Incontinentie bij aandrang (urge-incontinentie). Dit komt vooral door een overactieve blaas, een goedaardige prostaatvergroting, leefstijl of medicijngebruik.
  • Incontinentie bij inspanning (stress-incontinentie). Dit komt bij mannen vooral voor na een (urologische) operatie aan de prostaat (meestal ten gevolge van prostaatkanker). Ook kan het optreden als de patiënt ouder wordt en zijn spieren niet meer zo goed functioneren.
  • Beide vormen tegelijk (gemengde incontinentie)

Om een man met urineverlies goed te kunnen behandelen, is het erg belangrijk om te weten welke vorm van urineverlies er speelt. Om dit te achterhalen worden er een aantal onderzoeken gedaan.

Allereerst zal de patiënt gevraagd worden om een plasdagboek (mictielijst) bij te houden voor 2-3 dagen. Hiermee krijgt de arts inzicht in hoe vaak de patiënt plast, hoe groot de porties zijn en hoeveel hij drinkt.                         

Om de hoeveelheid urineverlies in te kunnen schatten wordt de patiënt gevraagd om gedurende 1 of 2 dagen uur het incontinentiemateriaal te wegen en telkens het gewicht van een leeg verbandje eraf te halen (pad test).

Daarnaast zal de urine worden onderzocht op infectie. Omdat de prostaat ook een mogelijke oorzaak kan zijn van urineverlies, zal de arts voelen naar de prostaat (rectaal toucher) en zal er zeer waarschijnlijk een PSA meting in het bloed gedaan worden. Ook wil de arts weten of de patiënt zijn blaas goed leegplast en daarom wordt er een echo of blaasscan gemaakt na het plassen.

Nadat de arts een heel aantal vragen heeft gesteld, wordt bekeken welk aanvullend onderzoek nodig is.

Een van deze onderzoeken is een kijkonderzoek van de blaas (cystoscopie) waarbij met een camera de blaas van binnen kan worden bekeken om te zien of er afwijkingen aan het slijmvlies zijn (bv een blaastumor). Bij dit onderzoek kan de prostaat ook worden bekeken en kan de sluitspier worden beoordeeld. Na dit onderzoek heeft de patiënt een volle blaas. Bij een patiënt met stressincontinentie zal de arts vragen of de patiënt kan hoesten om het urineverlies te beoordelen.

Een ander onderzoek wat zinvol kan zijn is een drukmeting van de blaas (urodynamisch onderzoek). Bij dit onderzoek wordt de blaas gevuld met water en worden de drukken tijdens vulling en tijdens plassen gemeten. Ook wordt er gekeken of de blaas knijpt terwijl hij dat juist niet zou moeten doen, dit heet overactiviteit. Een hoge druk tijdens het plassen kan erop wijzen dat de prostaat in de weg zit.

De behandeling van urineverlies bij mannen kan op verschillende manieren, van verbandmateriaal tot operatie. Bepalend voor de behandeling is de hoeveelheid urineverlies, de (resterende) werking van de sluitspier, de leeftijd en fitheid van de patiënt en uiteraard de wens van patiënt.

Hieronder volgt een overzicht van de verschillende mogelijkheden.

Aandrang incontinentie:

  • leefstijlaanpassingen (minder koffie drinken, stoppen met roken, totale hoeveelheid drinken ophogen of verminderen, ontlastingsproblemen aanpakken, minder alcohol drinken)
  • incontinentiemateriaal (verbandjes in alle soorten/maten, maar ook condoomkatheters die aan de penis te bevestigen zijn zodat het urineverlies beter wordt opgevangen)

Bron: Healthwise, condoomcatheter

  • Medicatie aanpassen of nieuwe starten (blaasontspanners bij een overactieve blaas)
  • Eventuele blaasontstekingen behandelen
  • Eventuele goedaardige prostaatvergroting behandelen door medicijnen of een operatie (link TURP)
  • Percutane Tibiale Nerve Stimulatie bij een overactieve blaas (PTNS). Door middel van een naaldje bij de enkel wordt de zenuw gestimuleerd die langs de blaas loopt. Hierdoor worden de blaaszenuwen beïnvloedt wat ertoe kan leiden dat de blaas rustiger wordt. De behandeling is poliklinisch en duurt ongeveer 30 minuten. Deze behandeling wordt 12x iedere week gegeven en daarna wordt beoordeeld of er effect is. Als er effect is, gaat de patiënt door met de behandeling, maar zal dan gaan afbouwen tot 1x per 2-4 weken.


Bron: Deventer Ziekenhuis, PTNS

  • Botox in de blaas bij overactieve blaas (door middel van prikjes bij de cystoscopie wordt er op ongeveer 20 plekken in de blaas een beetje botox net onder het slijmvlies geplaatst wat ervoor zorgt dat de blaas rustiger wordt. Deze behandeling vindt meestal plaats op de polikliniek of op een poliklinische OK.
  • Neurostimulatie bij overactieve blaas. Dit is ook een vorm van zenuwstimulatie maar wel veel ingrijpender dan de PTNS behandeling. Als deze behandeling goed aanslaat, wordt er operatief een klein kastje in het lichaam geplaatst om zo de zenuwen te stimuleren.

Bron: PVVN.nl, neuromodulatie

Incontinentie bij inspanning:

  • Leefstijlaanpassingen (stoppen met roken, afvallen bij overgewicht, bepaalde activiteiten laten)
  • incontinentiemateriaal (verbandjes in alle soorten/maten, maar ook condoomcatheters die aan de penis te bevestigen zijn zodat het urineverlies beter wordt opgevangen)
  • Bekken(bodem)fysiotherapie om de bekkenbodemspieren te verstevigen. Deze kunnen door de leeftijd minders sterk worden, of de sluitspier heeft na een beschadiging door een urologische operatie (bv prostaatoperatie) meer ondersteuning nodig van de bekkenbodem om de plasbuis goed af te sluiten

Operaties tegen urineverlies bij inspanning

  • Bandje tegen urineverlies (male sling). Indien het urineverlies over 24u <300 ml is en de patiënt is ’s nachts droog en kan ’s ochtends droog het toilet halen, dan is een bandje van kunstmateriaal die onder de plasbuis komt te liggen een goede optie.

Bron: AMS men’s health, advance male sling

  • Bulkinjecties. Rondom de plasbuis kan een soort gel gespoten worden die ervoor zorgt dat de plasbuis wat dichtgedrukt wordt om op die manier minder urineverlies te hebben.

Bron: EAU patient information, bulking agents


  • Pro act ballonnen. Een alternatieve behandeling voor urineverlies is door operatief 2 ballonnetjes naast de plasbuis te plaatsten en deze te vullen met water om zodoende de plasbuis wat dicht te drukken om verlies tegen te gaan. Het kan nodig zijn om deze ballonnetjes na de eerste ingreep verder te vullen om het gewenste effect te bereiken. Deze ingreep wordt maar in een beperkt aantal klinieken in Nederland toegepast.