Zowel vrouwen als mannen kunnen moeite hebben om hun plas (urine) op te houden bij inspanning (hoesten, niezen, lachen, tillen, springen, traplopen of plotseling opstaan). Dit wordt inspanningsincontinentie of stressincontinentie genoemd. Anderen moeten plotseling erg nodig plassen en zijn niet op tijd bij het toilet. Dit wordt aandrangsincontinentie of urge-incontinentie genoemd.

Het urineverlies kan een paar druppels of een hele plas zijn, alleen af en toe of een paar keer per dag. Niet iedereen gebruikt daarvoor opvangmateriaal.

Bij een verzakking zijn één of meer organen van de onderbuik naar beneden gezakt omdat de spieren en banden waaraan ze hangen, zijn uitgerekt. Dit kan ontstaan door zwangerschap, bevalling, lichamelijk zwaar werk, overgewicht en/of veelvuldig hoesten. Bij het ouder worden, worden de spieren en banden ook slapper. Organen, die kunnen verzakken zijn de blaas, de baarmoeder en/of de endeldarm.

Het lichaam maakt voortdurend urine aan. Dit wordt opgeslagen in de blaas. Hoe voller de blaas wordt, hoe sterker men het gevoel heeft te moeten plassen (aandrang). De blaas is afgesloten met een sluitspier. De blaas wordt op zijn plaats gehouden door de bekkenbodemspieren. Dit is een soort hangmat van spieren onderaan het bekken. Bij inspanningsincontinentie werken de sluitspier van de blaas, de bekkenbodemspieren en/of de blaas niet goed samen. Bij vrouwen wordt dit vaak veroorzaakt door zwangerschap en/of bevalling of door een verzakking.

Bij aandrangincontinentie kan de blaasspier juist actief zijn door een urineweginfectie of andere redenen. Een combinatie van beide soorten incontinentie is ook mogelijk.
Urineverlies kan erg hinderlijk zijn. Sommige vrouwen vinden het zo hinderlijk dat zij hun bezigheden gaan aanpassen. Zij blijven vaker thuis en vermijden bepaalde activiteiten, zoals sporten en uitstapjes. Schaamte en angst voor ontdekking spelen vaak een grote rol. Ook gaan zij vaak minder drinken, waardoor de urine meer geconcentreerd wordt . Dit lokt soms weer een blaasontsteking uit.

Omdat veel vrouwen zich schamen voor hun urineverlies, gaan zij niet naar de huisarts. Dat is jammer want aan urineverlies is vaak iets te doen. Urineverlies heeft vaak ook negatieve invloed op de seksualiteit. Meer informatie vind u hier.

Vaak wordt er bij urineverlies vooral aan vrouwen gedacht. Echter, ook veel mannen hebben er last van. Het ontstaat vaak op wat latere leeftijd of ten gevolge van een operatie.

Er zijn verschillende vormen van mannelijk urineverlies:

  • Incontinentie bij aandrang (urge-incontinentie). Dit komt vooral door een overactieve blaas, een goedaardige prostaatvergroting, leefstijl of medicijngebruik.
  • Incontinentie bij inspanning (stress-incontinentie). Dit komt bij mannen vooral voor na een (urologische) operatie aan de prostaat (meestal ten gevolge van prostaatkanker). Ook kan het optreden als de patiënt ouder wordt en zijn spieren niet meer zo goed functioneren.
  • Beide vormen tegelijk (gemengde incontinentie)

Incontinentie heeft vaak ook negatieve invloed op seksualiteit. Voor meer informatie kan u hier kijken.

 

Meestal wordt eerst enkele dagen lang een dagboek bijgehouden van het urineverlies en wordt u gevraagd een vragenlijst in te vullen. Hierin wordt genoteerd wanneer, in welke situaties en hoeveel urineverlies er is. 
Samen met de arts wordt dit bekeken. Daarnaast zal de uroloog ook altijd lichamelijk onderzoek doen en kijken of er bijvoorbeeld sprake is van een verzakking. Verder zal er vaak een echo van de blaas na het plassen worden gemaakt om te kijken of u goed leeg plast. Soms wordt er ook in de blaas gekeken (blaaskijkonderzoek) De arts kan dan vertellen om welke vorm van incontinentie het gaat en wat er aan te doen is. 

Om een man met urineverlies goed te kunnen behandelen, is het erg belangrijk om te weten welke vorm van urineverlies er speelt. Om dit te achterhalen worden er een aantal onderzoeken gedaan. Allereerst zal de patiënt gevraagd worden om een plasdagboek (mictielijst) bij te houden voor 2-3 dagen. Hiermee krijgt de arts inzicht in hoe vaak de patiënt plast, hoe groot de porties zijn en hoeveel hij drinkt.                         

Om de hoeveelheid urineverlies in te kunnen schatten wordt de patiënt gevraagd om gedurende 1 of 2 dagen uur het incontinentiemateriaal te wegen en telkens het gewicht van een leeg verbandje eraf te halen (pad test). Daarnaast zal de urine worden onderzocht op infectie. Omdat de prostaat ook een mogelijke oorzaak kan zijn van urineverlies, zal de arts voelen naar de prostaat (rectaal toucher) en zal er zeer waarschijnlijk een PSA meting in het bloed gedaan worden. Ook wil de arts weten of de patiënt zijn blaas goed leegplast en daarom wordt er een echo of blaasscan gemaakt na het plassen.

Nadat de arts een heel aantal vragen heeft gesteld, wordt bekeken welk aanvullend onderzoek nodig is.

Een van deze onderzoeken is een kijkonderzoek van de blaas (cystoscopie) waarbij met een camera de blaas van binnen kan worden bekeken om te zien of er afwijkingen aan het slijmvlies zijn (bv een blaastumor). Bij dit onderzoek kan de prostaat ook worden bekeken en kan de sluitspier worden beoordeeld. Na dit onderzoek heeft de patiënt een volle blaas. Bij een patiënt met stressincontinentie zal de arts vragen of de patiënt kan hoesten om het urineverlies te beoordelen.

Een ander onderzoek wat zinvol kan zijn is een drukmeting van de blaas (urodynamisch onderzoek). Bij dit onderzoek wordt de blaas gevuld met water en worden de drukken tijdens vulling en tijdens plassen gemeten. Ook wordt er gekeken of de blaas knijpt terwijl hij dat juist niet zou moeten doen, dit heet overactiviteit. Een hoge druk tijdens het plassen kan erop wijzen dat de prostaat in de weg zit.

Een cystoscopie is een kijkonderzoek van de plasbuis en de blaas. Dit wordt gedaan met een cystoscoop door een uroloog.

Een cystoscopie kan verricht worden indien u bloed plast, bij verdenking van een afwijking van de blaas of plasbuis en bij plasklachten.

Voorbereiding

Voor een cystoscopie hoeft u geen speciale voorbereidingen te treffen. Ondanks het verdovende glijmiddel kan het inbrengen van de cystoscoop als vervelend worden ervaren. Omdat uw blaas wordt gevuld met een zoutoplossing krijgt u aandrang om te plassen.

Als u iemand mee wilt nemen voor steun, overleg dit dan met de arts.

Het onderzoek

Tijdens dit onderzoek ligt u met ontbloot onderlijf op een behandeltafel met uw benen gespreid in beensteunen. We maken uw penis of schede schoon met water en we spuiten verdovend glijmiddel in uw plasbuis.

Als dat is ingewerkt, brengt de uroloog de cystoscoop via de plasbuis in de blaas. Om de wand van de blaas goed te kunnen zien, laten we een steriele zoutoplossing in uw blaas lopen.

Er zijn flexibele en starre cystoscopen. Bij mannen wordt de flexibele cystoscoop gebruikt omdat zij een langere plasbuis hebben. Bij vrouwen wordt de starre cystoscoop gebruikt.

We onderzoeken uw blaaswand, de wand van de plasbuis en (bij mannen) de doorgang in de prostaat. Zien we afwijkingen, dan nemen we een stukje weefsel uit en laten dat onderzoeken door het laboratorium.

Nazorg

Als er geen bijzonderheden zijn, hoort u dat meteen. Zijn er stukjes weefsel afgenomen, dan duurt het onderzoek daarvan ongeveer 10 werkdagen. Uw arts maakt een afspraak met u om de uitslag te bespreken.  Na het onderzoek moet u de zoutoplossing uitplassen. Uw plasbuis is nog een paar dagen gevoelig. Door veel te drinken, wordt het plassen minder branderig. Uw urine kan een paar dagen rood van kleur zijn.

Als u koorts krijgt, veel pijn en de klachten bij het plassen blijven aanhouden, neem dan contact op met uw behandelend arts.

Bij kinderen

Als uw kind plasklachten of vaak urineweginfecties heeft, kan worden besloten dat er een kijkoperatie van blaas en plasbuis zal plaats vinden. Deze kijkoperatie vindt plaats op de operatiekamer onder anesthesie. Soms wordt besloten in de blaas én de plasbuis te kijken omdat er bij een ander onderzoek een afwijking is gezien.

Afhankelijk van wat er tijdens de kijkoperatie is gezien, wordt er voor uw kind een controle afspraak gemaakt bij de kinderuroloog.

Afwijkingen in blaas of plasbuis

Tijdens de kijkoperatie wordt in de blaas gekeken of het slijmvlies niet ontstoken is, hoe gespierd de blaaswand is en of de openingen van de urineleiders er normaal uitzien. In de plasbuis wordt gekeken of er geen vernauwingen zijn. Met name de uitgang van de plasbuis (het plasgaatje) kan soms te nauw zijn. In de plasbuis van jongens wordt gekeken of er plasbuiskleppen of andere vernauwingen aanwezig zijn. Plasbuiskleppen (of urethrakleppen) zijn vliesjes die diep in de plasbuis aanwezig kunnen zijn en deze kunnen de plasstraal belemmeren. 
Als er tijdens de kijkoperatie een afwijking in de blaas of plasbuis wordt gezien, kan deze afwijking meestal direct tijdens de kijkoperatie worden verholpen. Zo nodig brengt de arts een blaaskatheter in, deze blijft soms één nacht zitten.

Opname

Uw kind wordt opgenomen op een van de verpleegafdelingen van het ziekenhuis. Afhankelijk van de leeftijd van uw kind en het tijdstip van de operatie vindt opname plaats op de dag van het onderzoek: uw kind moet dan nuchter komen of op de dag vóór het onderzoek: uw kind hoeft dan niet nuchter te komen

De opname duurt meestal een dag, afhankelijk van het herstel van het kind. Als uw kind tijdens de kijkoperatie een blaaskatheter (deze wordt in de blaas ingebracht via de plasbuis) krijgt, dan moet uw kind soms een nacht in het ziekenhuis blijven. Het kan ook voorkomen dat de katheter al een paar uur na de operatie wordt verwijderd. Uw kind kan dan, nadat het een plas heeft gedaan, dezelfde dag mee naar huis.

Medicatie

Indien uw kind thuis dagelijks antibiotica gebruikt dient u hiermee door te gaan tot aan de operatiedag. 
Tijdens de operatie wordt een infuus ingebracht. Via dit infuus krijgt uw kind antibiotica toegediend. Na de operatie hoort u van de kinderuroloog of uw kind thuis moet doorgaan met de antibiotica.

Als uw kind een blaaskatheter krijgt, dan wordt soms driemaal daags een medicijn (meestal Oxybutynine in de vorm van een drankje of een pilletje) voorgeschreven. Dit ter voorkoming van blaaskrampen. Het medicijn wordt gestopt voordat de blaaskatheter wordt verwijderd.

Pijnbestrijding

Om ervoor te zorgen dat uw kind na de operatie zo weinig mogelijk pijn heeft, wordt een plaatselijk verdovingsmiddel ingespoten bij het stuitje. Andere mogelijkheid is dat uw kind pijnmedicatie krijgt toegediend in het infuus of via de mond. Als uw kind, ondanks de pijnmedicatie, aangeeft nog steeds pijn te hebben, dan kan in overleg met de anesthesist extra medicatie worden gegeven. 
Met name plassen kan gevoelig zijn, dit kan een tot meerdere dagen duren. Daarom wordt geadviseerd om uw kind tot 48 uur na de operatie op regelmatige tijden paracetamol te geven, indien nodig kunt u hiermee nog twee dagen langer doorgaan met pijnmedicatie.

Nazorg

Als uw kind geen blaaskatheter heeft en de conditie van uw kind goed is, dan kan uw kind dezelfde dag naar huis. Als uw kind een blaaskatheter voor de nacht heeft, dan wordt deze in principe de volgende ochtend verwijderd. Als uw kind daarna goed heeft geplast en een goede conditie heeft, dan mag uw kind naar huis.
Thuis mag uw kind weer alles doen. Als uw kind zich goed voelt, dan mag het de volgende dag weer naar school.
Heeft uw kind een wondje bij het plasgaatje, of zitten er hechtingen, dan is gymnastiek, sportbeoefening, stoeien en zwemmen de eerste week niet verstandig.
Uw kind mag gewoon douchen of in bad gaan.

Bijwerkingen

Om pijnklachten zoveel mogelijk te voorkomen is het verstandig dat uw kind voldoende drinkt. Het kan voorkomen dat na de kijkoperatie een ‘branderig ‘ gevoel ontstaat tijdens het plassen. Het is belangrijk dat uw kind de urine niet ophoudt. Als uw kind vaker plast verminderen de klachten. Ook kan er soms wat bloed in de urine zitten, dit verdwijnt meestal na enkele uren. 
Bij een wond in de plasbuis kunnen tot een aantal dagen na de operatie enkele zwarte korrels meekomen in de plas, dit zijn korstjes die mee geplast worden.

Het is raadzaam om contact met het ziekenhuis op te nemen als:

  • Uw kind koorts krijgt (temperatuur hoger dan 38,5 C)
  • Uw kind langer dan een paar dagen pijn houdt of opnieuw pijn krijgt bij het plassen
  • De pijn niet verdwijnt na het gebruik van pijnmedicatie
  • De urine erg gaat ruiken
  • Uw kind veel bloed verliest bij het plassen
Bij een van deze klachten kunt u in overleg met de arts of verpleegkundige van de polikliniek of van de verpleegafdeling bekijken hoe u uw kind het beste kunt verzorgen. Zo nodig wordt de geplande afspraak voor controle op de polikliniek vervroegd. 

Een flowmetrie is een onderzoek waarbij we de functie van de blaas testen. Het gaat hierbij om de kracht van de urinestraal tijdens het plassen.

Voorbereiding

Voor dit onderzoek is het belangrijk dat u een volle blaas heeft. Met een halfvolle blaas lukt de meting niet. Dit betekent dat u minstens 2 uur voor uw bezoek aan de polikliniek moet uitplassen en daarna de urine moet ophouden. Daarbij gaat u extra drinken, zodat u aandrang heeft als u op de polikliniek komt. Het onderzoek lukt het beste als u normale tot sterke aandrang om te plassen voelt.

Flowmetrie

Tijdens het onderzoek plast u in een speciaal daarvoor bestemd toilet. Er is een meter ingebouwd in het toilet die de kracht van de straal meet. Deze meting wordt geregistreerd op grafiekpapier.

Echo van de blaas

Na een flowmetrie maakt de verpleegkundige meestal ook een echo van de blaas. Dit is om te zien of u uw blaas helemaal leeg plast. Als er te veel urine achterblijft kan dit klachten veroorzaken. Met een uitwendige echografie wordt de hoeveelheid urine gemeten die na het plassen in de blaas is achtergebleven. Dit noemt men een echo-residu bepaling. Het onderzoek is ongevaarlijk en geeft geen bijwerkingen.

Bij dit onderzoek maakt men gebruik van geluidsgolven (trillingen). Deze zijn niet hoorbaar. De geluidsgolven kunnen worden opgewekt door een transducer. Dit is een zender/ontvanger. Door de transducer over uw buik te bewegen worden de geluidsgolven in uw buik gezonden. De organen in uw buik, dus ook de blaas, weerkaatsen deze geluidsgolven. Dit noemt men echo's. Deze echo's worden op een beeldscherm weergegeven. Zo kan men nauwkeurig meten hoeveel urine er na het plassen in de blaas is achtergebleven. De verpleegkundige brengt voor het onderzoek een beetje gelei op de huid van de buik aan ter hoogte van de blaas. Het onderzoek duurt enkele seconden.

Nazorg

Na het onderzoek komt u op het afgesproken tijdstip bij de uroloog voor de uitslag van het onderzoek en kan een behandelplan opgesteld worden.

Een ander woord voor plassen/urinelozing is mictie. Door een mictielijst (plasdagboek) bij te houden kan inzicht worden verkregen in hoeveel iemand drinkt (vochtopname) en de hoeveelheid urine die wordt uit geplast of ongewild wordt verloren. Met deze gegevens kan een diagnose en een behandelplan worden (op)gesteld.

In een plas- of mictiedagboek gaat u gedurende 3 x 24 uur een dagboekje bij houden. Het is de bedoeling om dit dagboek op gewone dagen in te vullen, dus niet op een dag dat u een uitstapje heeft gepland of dingen die u anders niet zo vaak doet.

Het is niet noodzakelijk dat het drie opeenvolgende dagen zijn. 

Uw arts heeft u gevraagd per dag een lijst bij te houden met:
− op welke tijden u plast en/of drinkt;
− hoeveel u plast;
− hoeveel u drinkt;
− heeft u aandrang om te plassen of niet;
− is het plassen pijnlijk of niet;
− is er wel of geen sprake van urineverlies.

Zo kan de arts meer inzicht krijgen in uw klachten en in uw gewoonten. Een dergelijk lijst heet een mictiedagboek en bestaat uit drie dag lijsten. Voor de mannelijke patiënten bevat het mictiedagboek een extra vragenlijst: IPSS = internationale prostaat symptomen score. 

De dagelijkse vochtbehoefte voor een volwassene ligt tussen de 1½ en 2 liter per dag. Hierbij hoeft u niet alleen aan water te denken maar aan alles wat vocht is, zoals bijvoorbeeld een kop soep of een kom vla of
yoghurt. Als u veel transpireert of als u last hebt van diarree is het goed om meer te drinken om het extra vochtverlies weer aan te vullen. Het is normaal dat u wat minder plast dan u gedronken heeft op een
dag. Het kan zijn dat u van uw specialist (anders dan de uroloog) een vochtbeperking heeft gekregen. In dat geval moet u zich aan die vochtbeperking houden.

Het onderzoek

Het is de bedoeling dat u 3 x 24 uur een dag lijst invult. Dit hoeven geen drie aaneengesloten dagen te zijn. U kunt zelf bepalen wanneer het voor u uitkomt om het dagboek bij te houden.

Noteer telkens bij een bepaald tijdstip hoeveel u op dat moment drinkt en/of plast en/of hoeveel ongewild urine u verliest.

Hoeveelheid urine

De hoeveelheid urine, die u uitplast, meet u met een maatbeker. U zit daarbij op het toilet en houdt de maatbeker onder u vast (in het toilet dus). Plast u zelf altijd staande, dan plast u ook staande in de maatbeker. 

Hoeveelheden drinken

Het is belangrijk dat u zorgvuldig bijhoudt welke hoeveelheden u drinkt en plast. De kopjes, glazen, bekers en dergelijke die u thuis gebruikt kunt u een keer met een maatbeker vullen zodat u weet hoeveel erin gaat.

De hoeveelheid drinken kunt u ook schatten aan de hand van de volgende lijst:
Glas = 150 ml
Kopje = 125 ml
Mok of soepkom = 200 ml
Fruit = 75 ml

Aandrang en/of pijn

De vraag of u wel of geen aandrang heeft is belangrijk bij urineverlies en op de momenten dat u naar het toilet gaat. Het kan namelijk voorkomen dat u erge aandrang voelt en toch maar een kleine plas doet. Of juist dat u geen aandrang voelt terwijl u een grote plas doet en/of urine verliest.

Om de mate van aandrang en de mate van pijn aan te geven kunt u de
volgende tekens gebruiken:
− Geen = -
− Gering = +
− Matig = ++
− Sterk = +++


Urineverlies

Daarnaast kunt u noteren of er sprake is van urineverlies. Een richtlijn hiervoor is:


1. Druppels
2. Scheutjes
3. Kleding nat of verband verwisseld

Hierbij kunt u ook aangeven of u urine verliest bij bukken/hoesten/lachen

Een voorbeeld van een mictielijst ziet er zo uit

Allereerst is het belangrijk dat u goed incontinentiemateriaal heeft, er zijn vele soorten en maten, vaak is er in het ziekenhuis een (in)continentieverpleegkundige aanwezig, die u hierbij kan helpen. Ook zijn er condoomcatheters die aan de penis te bevestigen zijn zodat het urineverlies beter wordt opgevangen.

 

 

Daarnaast worden leefstijlaanpassingen met u besproken (stoppen met roken, afvallen bij overgewicht, bepaalde activiteiten laten).

Wanneer een vrouw tijdens het sporten urineverlies heeft, kan een speciaal soort tampon worden gebruikt. Deze absorbeert geen urine, maar ondersteunt de blaas. Hierdoor wordt de kans op urineverlies kleiner. 

De behandeling van inspanningsurineverlies 

Er zijn bekkenfysiotherapeuten die gespecialiseerd zijn in het begeleiden van mensen met inspanningsincontinentie. Zij bereiken vaak goed resultaat. Zij helpen u om de bekkenbodemspieren te verstevigen. Deze kunnen door de leeftijd minders sterk worden, of de sluitspier heeft na een beschadiging door een urologische operatie (bv prostaatoperatie) meer ondersteuning nodig van de bekkenbodem om de plasbuis goed af te sluiten

In sommige gevallen kan een operatie helpen. De uroloog zal u graag over de voor- en nadelen van een operatie informeren.

Bij vrouwen kunt u bijvoorbeeld in aanmerking komen voor een bulkamid injectie of een bandje (TVT-O). Hieronder vind u meer over deze behandelingen.

Bij mannen kunnen ook meerdere operaties het urineverlies verhelpen

Male Sling

Bij mannen kan ook een bandje tegen urineverlies (male sling) geplaatst worden. Indien het urineverlies over de dag (24 uur) <300 ml is en de patiënt is ’s nachts droog, ’s ochtends droog het toilet kan halen, dan is een bandje van kunstmateriaal die onder de plasbuis komt te liggen een goede optie.

ProAct balonnen

Daarnaast kan u in aanmerking komen voor ProAct ballonnen. Dit is een alternatieve behandeling voor urineverlies door operatief 2 ballonnetjes naast de plasbuis te plaatsten en deze te vullen met water om zodoende de plasbuis wat dicht te drukken om verlies tegen te gaan. Het kan nodig zijn om deze ballonnetjes na de eerste ingreep verder te vullen om het gewenste effect te bereiken.

Kunst sluitspier

Mannen kunnen ook een kunst sluitspier (sfincterprothese) krijgen. Als het urineverlies > 300 ml is en patiënten hebben geen effect gehad van de bekkentherapie, dan is een kunstsluitspier te bespreken. Hierbij plaats je een soort afsluitbandje (manchet) om de plasbuis wat zich kan vullen met vocht vanuit een kleine ballon die in de onderbuik wordt geplaatst. Om dit systeem te bedienen, is een pompje nodig en dat wordt in de balzak geplaatst. Het afsluitbandje om de plasbuis is dan in principe altijd gevuld, tenzij de patiënt moet plassen. Dan druk hij een aantal keer op het pompje en daardoor wordt het vocht uit het afsluitbandje naar de ballon gepompt. Na enige tijd vult het afsluitbandje zich vanzelf weer.

 

De behandeling van aandrangsurineverlies 

Bij aandrangincontinentie kunnen medicijnen helpen en vaak heeft de combinatie van medicijnen en oefeningen van een bekkenfysiotherapeut het beste resultaat. Uiteraard worden ook leefstijlaanpassingen besproken (minder koffie drinken, stoppen met roken, totale hoeveelheid drinken ophogen of verminderen, ontlastingsproblemen aanpakken, minder alcohol drinken).

Medicatie bestaat voornamelijk uit blaasontspanners. Deze worden gegeven bij overactieve blaas klachten. Deze kan de uroloog aanpassen of er kunnen nieuwe medicijnen gestart worden om uw klachten te verminderen.

Ook is het van belang dat eventuele blaasontstekingen behandeld worden.

Bij mannen kan een goedaardige prostaatvergroting onderliggend zijn aan de aandrangsincontinentie. Daarom is het van belang in dit geval de prostaatvergroting te behandelen met medicijnen of een operatie.

Mochten bovenstaande behandelopties toch onvoldoende helpen kan worden overgegaan naar Botoxinjecties in de blaas of bijvoorbeeld zenuwstimulatie, dit kan zowel in de enkel (perifeer) als rechtstreeks op de zenuw in de rug.

Percutane Tibiale Nerve Stimulatie (PTNS)

Door middel van een naaldje bij de enkel wordt de zenuw gestimuleerd die langs de blaas loopt. Hierdoor worden de blaaszenuwen beïnvloedt wat ertoe kan leiden dat de blaas rustiger wordt. De behandeling is poliklinisch en duurt ongeveer 30 minuten. Deze behandeling wordt 12x iedere week gegeven en daarna wordt beoordeeld of er effect is. Als er effect is, gaat de patiënt door met de behandeling, maar zal dan gaan afbouwen tot 1x per 2-4 weken.

Botox in de blaas

Door middel van prikjes bij de cystoscopie wordt er op ongeveer 20 plekken in de blaas een beetje botox net onder het slijmvlies geplaatst wat ervoor zorgt dat de blaas rustiger wordt. Deze behandeling vindt meestal plaats op de polikliniek of op een poliklinische OK.

Neurostimulatie

Dit is ook een vorm van zenuwstimulatie maar wel veel ingrijpender dan de PTNS behandeling. Als deze behandeling goed aanslaat, wordt er operatief een klein kastje in het lichaam geplaatst om zo de zenuwen te stimuleren.

TVT staat voor Tensionfree Vaginal Tape en TOT staat voor Tensionfree Obturatorius Tape. Beide operaties zorgen ervoor dat het afsluitmechanisme van de blaas wordt verstevigd.

Bij deze operatie wordt een stevig bandje van kunststof hechtmateriaal onder de plasbuis aangebracht. Normaal hangt de plasbuis vlak boven de vagina. Bij drukverhoging in de buik zakt de plasbuis verder in de richting van de vagina, met als gevolg dat er urineverlies optreedt. Na de operatie kan de plasbuis steunen op het bandje en kan niet meer wegzakken. De richting waarin het kunststof bandje wordt geplaatst bepaalt het verschil in TVT of TOT operatie. De operatie is weinig belastend en heeft een grote kans op verbetering van de klachten.

Een TVT/TOT-operatie geeft bij de meeste vrouwen een zeer goed resultaat maar is geen garantie op succes! Bij ongeveer 80% van de vrouwen verdwijnt het urineverlies geheel, ongeveer 10 procent van de vrouwen verliest nog een beetje /regelmatig urine. Bij slechts 6 procent van de vrouwen helpt de operatie niet.

Voorbereiding

Voor deze operatie wordt u 2 dagen opgenomen. De dokter wil namelijk weten of u de blaas weer goed leeg kunt plassen na de operatie. Soms verloopt de operatie, het uithalen van de katheter en het plassen zo voorspoedig dat u dezelfde dag nog naar huis kan. Als dat kan, bespreekt de dokter dat met u.

De ingreep

De operatie gebeurt meestal onder plaatselijke verdoving door middel van een ruggenprik. U kunt hierbij tevens een slaapmiddel krijgen, zodat u slaapt tijdens de operatie. De operatie wordt uitgevoerd door de uroloog of de gynaecoloog. Tijdens de operatie brengt de arts het verstevigingsbandje via de vagina op de juiste plaats. 

Het bandje kan op 2 manieren worden geplaatst. In de meeste gevallen kiest de arts voor de methode via de liezen. Als uw arts de retropubische methode voor u geschikter vindt, bespreekt hij of zij dit met u.

Bij de eerste methode brengt de specialist het bandje onder de plasbuis, via een kleine snede in de vagina (1-2cm). Het bandje wordt aan weerszijden met ankertjes vastgezet in de obturator openingen van het bekken.  Het bandje ligt dan als een soort hangmatje onder de urinebuis. Tot slot wordt de lengte van het bandje specifiek op uw lichaam afgesteld. De ankertjes zorgen al voor steun tijdens de periode dat het weefsel nog moet vastgroeien aan het TVT-bandje. Zo wordt de plasbuis al direct na de operatie voortdurend ondersteund (vooral bij inspanning). Urineverlies wordt daardoor tegengegaan. Na de operatie groeit nieuw weefsel in de poriën van het bandje waardoor er onder de plasbuis een nieuwe ondersteunend littekenweefsel ontstaat.

Pas je cookie-instellingen aan om deze video te bekijken.
Bij de retropubische methode maakt de specialist twee kleine snedes in de buik ter hoogte van het schaamhaar en eentje van 1,5 cm in de vagina, vlak onder de plasbuis. Via de snede in de vagina steekt de arts links en rechts van de plasbuis het bandje door naar de 2 snedes in de onderbuik. Het bandje ligt dan in een U-vorm als een soort hangmatje onder de plasbuis (zie afbeelding). Met een camera wordt in de blaas gekeken of deze intact is. Er is bij deze methode een klein risico op blaasletsel.

 

Nazorg

U wordt wakker met een blaaskatheter. Deze wordt de volgende dag verwijderd. Als de operatie voorspoedig verloopt kan de uroloog of gynaecoloog beslissen deze na enkele uren te laten verwijderen. 

Na de eerste keer zelf plassen, controleert een verpleegkundige of u de blaas voldoende leeg plast. Dit gebeurt met behulp van een echo-apparaat (ook wel Bladder scan genoemd). Meestal kan men na twee à drie keer plassen de blaas weer voldoende leegmaken. Lukt dit niet dan volgt overleg met uw behandelend gynaecoloog of uroloog. Het kan zijn dat u na de operatie anders plast. Dit betekent meestal een kleinere straal en soms nadruppelen. Neem in dat geval wat meer tijd en vermijd extra persen.

Het wondje in de vagina veroorzaakt na de operatie vaak een paar dagen wat bloedverlies en/of bloederige afscheiding. Ongeveer zes weken na uw ontslag uit het ziekenhuis komt u terug op de polikliniek urologie of gynaecologie voor nacontrole.

De eerste weken na de operatie hoeft u niet extra te drinken. Wel is het belangrijk regelmatig te plassen, ten minste vijf keer per dag. De eerste weken treedt soms nog ongewild urineverlies op. Ook kunt u tijdelijk meer aandrang voelen. Sommige vrouwen hebben het gevoel 'over een weerstand' te plassen. Dat gevoel verdwijnt later vanzelf. De eerste vier weken is het belangrijk om niet zwaar te tillen: bij voorkeur geen kinderen tillen, geen zware boodschappentassen dragen en geen ander zwaar werk doen. Daarnaast mag u vier weken niet fietsen en niet intensief sporten. Dit is om beschadiging van de wond te voorkomen. Daarna kunt u uw gewone werkzaamheden gaandeweg hervatten. 

Direct na de operatie kunt u weer onder de douche. Wacht met het nemen van een bad tot de bloederige afscheiding uit de vagina gestopt is. Gebruik geen tampons de eerste twee weken na de operatie en wacht twee weken met seksuele gemeenschap. De hechtingen in de vagina lossen met 4-6 weken op. U kunt de restjes daarvan in de afscheiding terug vinden.

Mogelijke complicaties

De kans op complicaties bij een TVT/TOT-operatie is klein, en niet groter dan bij andere operaties in verband met inspanningsincontinentie.

Soms treedt na de operatie een blaasontsteking op, maar bij gebruik van een antibioticum komt dit zelden voor.

Er kan een bloeduitstorting ontstaan. Dan ziet u een rode bult van opgehoopt bloed onder de sneetjes. Vaak verdwijnt dit vanzelf: de bloeduitstorting verspreidt zich dan onder de huid, waardoor het omringende gebied alle kleuren van de regenboog aanneemt. Soms komt het bloed via de sneetjes naar buiten. Dit kan geen kwaad. Als bloed en wondvocht naar buiten gekomen zijn, genezen de wondjes vanzelf. Gebruik in die tijd een pleister of een gaas om uw kleren te beschermen.

Er kan een bloeding in de vagina zijn tijdens de operatie. Als deze complicatie optreedt, brengt de arts een tampon in de vagina en krijgt u een blaaskatheter. De tampon ­-een lang gaaslint dat de vagina stevig opvult-­ wordt een of twee dagen later door de verpleegkundige verwijderd. Schrik niet van de lengte.

Bij sommige vrouwen lukt het na de operatie niet om te plassen; een tijdelijke blaaskatheter is dan noodzakelijk. Meestal lukt het plassen na een paar dagen wel, maar bij enkele vrouwen (circa 1-5%) blijft de klacht bestaan. Zij moeten dan leren om zelf de blaas met een katheter leeg te maken (zelfkathererisatie). Hoe lang zelf-katheterisatie nodig is verschilt van weken tot enkele maanden. Het bandje kan wel losgemaakt worden. Meestal gebeurt dit pas vele maanden na de operatie om te voorkomen dat weer ongewenst urineverlies optreedt.

In zeldzame gevallen treedt er een beschadiging van de urinebuis of de blaas op. U krijgt dan een blaaskatheter en moet langer in het ziekenhuis blijven. Een beschadiging van de blaas of urinebuis geneest goed.

De ProACT-operatie is bedoeld om ongewenst urineverlies en de daarbij horende ongemakken te voorkomen. ProAct staat voor Aanpasbare Continentie Therapie en is bedoeld voor mannen.

Tijdens de operatie worden er siliconen ballonnen aan weerszijden van de plasbuis geplaatst. Deze ballonnen, die gevuld worden met vloeistof via een vulventiel, drukken de plasbuis dicht. Deze operatie wordt met name uitgevoerd bij stress-incontinentie. Maar ook bij gemengde incontinentie kan dit een uitkomst bieden.

 

Locatie van de proact-ballonnen


Voorbereiding 

De ProACT operatie vindt plaats tijdens dagopname. In principe overnacht u niet in het ziekenhuis. Als u bloedverdunners gebruikt of allergieën heeft moet u dit tevoren aangeven bij uw behandelaar.


De ingreep

De ProACT operatie wordt uitgevoerd onder algehele anesthesie (narcose). U ligt op uw rug met de benen in beensteunen. Via een scoop wordt de blaas gevuld met contrastvloeistof. Door röntgenfoto’s wordt de locatie van de blaas bepaald. Vlak onder de balzak (het scrotum) maakt de uroloog 2 sneden van ongeveer 0,5 centimeter, net naast de middenlijn. Vervolgens maak de uroloog met een holle naald ruimte onder de blaas. Daar wordt aan beide kanten van de plasbuis een ProACT-ballon geplaatst. De ballonnen worden gevuld met een mengsel van contrastvloeistof en steriel water (totaal 1 milliliter). Dat zorgt ervoor dat de ballonen terug te zien zijn op röntgenfoto’s. Tot slot sluit de uroloog de sneden met onderhuidse, oplosbare hechtingen en brengt een katheter in om de plasbuis een aantal uur rust te geven.

De operatie zelf duurt ongeveer 25 minuten.

Nazorg

Enkele uren na de operatie wordt de katheter verwijderd. Als u niet voldoende leeg kan plassen, kan de specialist besluiten om de ballonnen iets te legen. Kunt u alsnog niet voldoende leeg plassen? Dan kan de specialist besluiten opnieuw een katheter in te brengen. In dat geval gaat u met katheter naar huis. Na ongeveer 1 week kan de katheter dan verwijderd worden.

Het kan zijn dat u de dagen na de operatie volledig droog bent. Dit komt doordat het weefsel in het geopereerde gebied opzwelt. Zodra de zwelling afneemt, neemt het urineverlies in de meeste gevallen ook weer toen. Dit betekent niet dat de operatie mislukt is. Doordat iedere man een andere hoeveelheid vulling in de ballonnen nodig heeft, komt u poliklinisch nog een aantal keer terug bij de verpleegkundige.

Na de operatie wordt u geadviseerd om tot het 1e polikliniek niet zwaarder dan 5 kilo te tillen, niet te sporten, niet te fietsen en niet seksueel actief te zijn.

De eerste keer dat u terugkomt op de polikliniek is 4 tot 6 weken na de operatie. Het 2e bezoek is 8 weken na de operatie. Eerst moet het weefsel tot rust komen. Vervolgens kunnen de ballonnen iedere 2 weken worden bijgevuld. Het kan een aantal weken duren voor u het effect merkt.

Het bijvullen van de ballonnen doen we met een heel dunne naald. Het vulventiel wordt opgezocht en door de huid aangeprikt. Vervolgens kunnen de ballonnen worden bijgevuld met een mengsel van contrastvloeistof en water.

Bijwerkingen en complicaties

Direct na de operatie kunt u last hebben van een blauwe plek, zwelling en pijn. Dit is normaal. U mag de zwelling meerdere keren per dag voor 10 minuten koelen. Let op dat u de wonden niet week laat worden. Ga ook niet op een harde ondergrond zitten. Een donut zitkussen kan helpen.

Er is een kleine kans op een infectie. Als er een infectie optreedt, zullen we dit in eerste instantie behandelen met antibiotica. In het uiterste geval moet de ProACt verwijderd worden. Na een periode van ongeveer 3 maanden we dan overwegen om de ingreep of de operatie nog een keer uit te voeren.

Het komt zelden voor dat de uroloog tijdens de operatie uw blaas raakt met de naald. In dit geval krijgt u een katheter. Deze katheter kan na 1 week verwijderd worden.

Het doel van de behandeling met Bulkamid is om de plasbuis wat nauwer te maken. de Uroloog spui en speciale gelei (Bulkamid) in de wand van de plasbuis , net onder de blaas.

De plasbuis wordt wat nauwer, waardoor ongewild urineverlies verminderd of zelfs verdwijnt. Het is een ingreep met weinig complicaties en korte hersteltijd. De behandeling kan plaatsvinden op de polikliniek onder plaatselijke verdoving. Of op de operatiekamer onder narcose.